In 2007, 125 jaar na de geboorte van Alfons De Ridder, kreeg zijn alter ego Willem Elsschot een standbeeld op het Mechelseplein in Antwerpen. Aan die huldiging was een wandeling gekoppeld, waarin de schrijver Elsschot hier en daar, subtiel en voor wie het smaakte, werd betrokken in een jarenlang eerbetoon.
Op 29 mei 2010 startte een tentoonstelling in het Letterenmuseum in Antwerpen: Dicht bij Elsschot. Dit is het letterlijke startschot voor een hernieuwde, doorgedreven hommage, waarbij dit keer werd gestreefd naar interactie met alle kunsten. Tot eind december wordt de Antwerpse schrijver uitgebreid en postuum in de bloemetjes gezet.
Waarom is Elsschot dat waard? Wat maakt die Antwerpse bakkerszoon zo speciaal dat hij in onze literaire harten zou mogen voortleven, en stilaan zijn plaats zou mogen opeisen naast andere literaire monumenten als Guido Gezelle, Hendrik Conscience of Hugo Claus?
door Raymond Rombout
Wel, het antwoord zit al deels vervat in zijn afkomst. Fonske De Ridder was een bakkerszoon uit Antwerpen, die zich later zou opwerken tot zakenman. Voor de toog van zijn vader op de De Keyserlei heeft hij zeker de hele stad zien passeren, en er zijn bedenkingen bij geplaatst. Het vormde hem tot de koele commentator waar hij later zijn handelsmerk van maakte. Hij groeide op tot een kritische jongeman die revolteerde tegen zinloze dwang. Hij zocht achter elke medaille de keerzijde, wat van hem een geboren dwarsligger maakte.
Op school zat het dus nooit goed. Slechts turnen en Nederlands konden zijn goedkeuring wegdragen. In de andere lessen werd hij meer weggestuurd dan dat hij mocht blijven zitten, tenzij om er een jaartje bij te doen. Hij stopte zijn atheneumstudie in het vierde middelbaar met liefst 35 donderdagen strafstudie op zijn kerfstok. Dat is zowat één dag per maand school. Zijn leraren mochten alvast niet beweren dat ze Alfons de Ridder niet kenden.
Zijn baldadigheid had een rijke voedingsbodem: de rusteloze onvrede van iemand die iets te zeggen heeft maar er de taal nog niet voor gevonden had.
© Erven De Ridder & Letterenhuis
Hij sloot zich aan bij een leesclubje en kwam zo wat dichter bij zijn favoriete leraren: Pol De Mont en Engelbert de Chateleux. De eerste stond op het toppunt van zijn roem, had net de vijfjaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie gewonnen en zou in 1904 conservator van het Paleis voor Schone Kunsten worden in Antwerpen. De Chateleux was een literaire krachtpatser van een heel ander kaliber. Volgens een scheldkritiek van Lodewijk Van Dessel was hij “een lichtelijk door grootheidswaanzin aangetasten armen kinderachtigen schoolmeester”, maar ook “een povere pieterige blaaskaak van een derde-rangs-pamflettisten natuur”.
Indien dit enigszins met de waarheid strookt dan kon deze man wel eens grote invloed hebben uitgeoefend op De Ridder, die in zijn volle jeugdige opstandigheid zat, zijn Mei-'68-avant la lettre-fase.
Een deel van zijn subversiviteit kon De Ridder kwijt in het schoolblaadje van het Antwerpse Atheneum. Zijn literaire inventiviteit stopte hij dan weer in gedichten, die hij publiceerde in Alvoorder, een letterkundig tijdschrift van de kring Flandria, waarvan hij medestichter was (samen met o.a. Lode Baekelmans en Herman Teirlinck).
Zo bijvoorbeeld dit beeld, als ervaringsdeskundige:
In de retenue
't Was stikkend heet
en allen bogen zich over hunne bank
Zij schreven hunne straf
en wreven wijd geeuwend
zich de slaap uit de ogen
Heer Kakenberg gaat op en neer,
het kale hoofd gans nat van 't zweet
Het is toch zo verschrikkelijk heet
Hij zucht, hij blaast, hij kan niet meer
Geen gerucht wordt er gehoord
De zonne schijnt, zij zitten daar
zo loom en stom en schrijven maar
met trage hand werktuiglijk voort
Toch groeide zijn maatschappelijke wrevel hem in die tijd boven het hoofd: hij werd wegens baldadig gedrag uit het atheneum gezet.
© Erven De Ridder & Letterenhuis
Daar al kon het met Alfons De Ridder gedaan zijn, zijn Elsschot-periode was nog verre toekomst. Even stuiterde Fons het leven in via het patroon van twaalf stielen, dertien ongelukken. Hij werd evenzoveel keer bij de patroons buiten gesmeten als dat hij zelf de deur dicht gooide. Alfons de Ridder was een weerbarstig mannetje en aanvaardde geen gezag.
Toch bleef hij smachten naar de macht van de klank, zeker als dat gecombineerd werd met gerstevocht. Zo belandde De Ridder in de literaire jeugdclub De Kapel. Dit Kunstenaarsclubhuis in de buurt van de Paardenmarkt, werd wel gefrequenteerd door Buysse, Streuvels en Teirlinck, maar ook door zuiplappen van minder allooi. We kunnen ons voorstellen dat De Ridder de loopjongen was tussen deze twee groepen. Getuige dit bewijs van louterend inzicht uit Den Alvoorder:
'k Heb in mijn jeugd gelijk een beest gezopen
aan al de passies van een mensenleven
Ik heb den beker huilend hoog geheven
en aangegaapt met lippen gulzig open
Ik dronk wijl ik voelde
't schroeiend vocht mij lopen
door 't arme lichaam
Gloeiend heet aan 't beven
in 't wilde genieten van dat nieuwe leven
tot mij druppels van de wangen dropen
Het is genoeg nu
In mijn kranke wezen ontwaakt mijn ziel
uit mijne sluimeringen
z' Is uit het beest zijn goddelijk verrezen
Met breed gebaar heeft zij de weg gewezen
Ik hoor haar stem in klare tonen zingen
en zit versteend in koude mijmeringen
© Erven De Ridder & Letterenhuis
Het heeft er alle schijn van dat kroegtijger Fonske De Ridder deze goddelijke verrijzenis pas voelde na de geboorte van zijn eerste zoon. In 1901 maakte hij zijn vriendin Fiene zwanger, wat niet echt een reden was om met zijn liederlijk leven te stoppen. Fons was wel vader, maar geen papa. Hij was zelfs niet thuis om de geboorte te vieren. Zijn oudere broer Willem De Ridder zorgde er dan maar voor dat de kleine werd geregistreerd onder de familienaam van de moeder.
Op voorspraak van zijn broer mocht hij beginnen in de Hogere Handelsschool. Fons had zijn lesje intussen duidelijk geleerd, want hij studeerde vier jaar later af als licentiaat in de Handels- en Consulaire Koloniale Wetenschappen, avec distinction et mention honorable.
Hij bleef niet meer zitten, was twee jaar de beste van zijn klas. Dit keer kon hij zijn extraverte kant beter combineren met zijn studies. Naast Fonske de student was er ook Fons het fuifnummer. Fons was paraat op elke cantus of elke studentenvergadering. Hij schreef het clublied voor de NSK, dat nog jaren in het cantusboek bleef staan en vol studentikoze schunnigheid staat. Fons De Ridder, jawel.
Wij zijn de manne van de NSK
Wij poeppe bloete weive
in de groete kou
We doen hun broekske uit
We spelen met ons fluit
Ne kus op heure snuit
en aan 't werk met ons spuit
Een stoot langs hier, een stoot langs daar,
ge kruipt er oep geleik ne stier
ne stoet, ne stoet, ne stoet ne kier of vier, Valentiiiiiine, Valentiiiiiine
En als ge dan nog vijf minuutjes wacht
en op heur beukse reust
gelak op een vacht
dan komt 'm weer al steif
ge kreupt terug op da weif
met onze natuur weten wei giene bleif
ne stoet, ne stoet, ne stoet ne kier of vier, Valentiiiiiine, Valentiiiiiine
Fons De Ridder verdeelde nu zijn tijd op school, op café of bij zijn nicht in Blauberg (Herselt), waar hij soms ging studeren. Hij maakte er af en toe een wandelingetje in het Helsschotbos.
© Erven De Ridder & Letterenhuis
Na deze studies begon hij, beter beslagen dan daarvoor, aan een nieuwe loopbaan, die opnieuw langs tal van tussenstations zou lopen.
Zo is hij in 1906 een jaar lang de secretaris van Alfredo Bustos, een Argentijnse diplomaat uit Parijs. Bij een klantenbezoek komt hij in aanraking met de Werf Gusto in Schiedam, die zijn volgende werkgever wordt. In Nederland schreef hij, op aansporen van een collega, zijn eerste boek, Villa des Roses, in feite een weerslag van zijn tijd in Parijs.
Maar kijk, intussen voltrok zich het wonder. Met die kleine kroop ook het gevoel voor plicht en verantwoordelijkheid (eindelijk) in Fonske's kop. Dit was het keerpunt. Hier werd Fons volwassen. Hij koos voor het geregelde leven, het burgerleven. Hier stapte hij in zijn zelfgekozen gevangenis en gooide de sleutel weg. Hij creëerde wel een compagnon de route: Willem Elsschot.
Vanuit Nederland pendelt hij een aantal jaar naar Antwerpen, waar hij zich uiteindelijk vestigt. Hij huwde met Fiene en zette zijn eerste kind, Walter Scheurwegen, nu als Walter De Ridder op “zijnen trouwboek”.
De wroeging had gewonnen. Maar het was niet van harte:
Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd
In d'ogen van zijn vrouw
de vonken uit kwam doven
Haar wangen had verweerd,
haar voorhoofd had gekloven,
Toen wendde hij zich af,
en vrat zich op van spijt
Hij dacht: ik sla haar dood
en steek het huis in brand
Ik moet de schimmel van mijn voeten wassen
En rennen door het vuur
en door het water plassen
Tot bij enig ander lief in enig ander land
Maar doodslaan deed hij niet
Want tussen droom en daad
staan wetten in de weg
En praktische bezwaren en ook weemoedigheid
Die niemand kan verklaren
en die des avonds komt
Wanneer men slapen gaat
Zo gingen jaren heen
De kinderen werden groot en zagen
dat de man die zij hun vader heten
bewegingsloos en zwijgend bij het vuur gezeten
Een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.
Alfons De Ridder schreef dit gedicht, Het Huwelijk, in Rotterdam, in 1910. Hij was 28: het lijkt het testament van een zestiger. De kernwoorden van dit gedicht (Tussen droom en daad, …) worden in deze moderne tijd vaak gebruikt door tal van managers. Velen van hen staan niet eens stil bij de herkomst ervan.
© Erven De Ridder & Letterenhuis
Nog steeds van de ene job naar de andere hoppend, belandde De Ridder als twintigjarige bij het tijdschrift La Revue Continentale Illustrée, geleid door zijn vriend Jules Valenpint. Zowel tijdschrift als bedrijfsleider zal hij later opvoeren in Lijmen/Het been, met alter ego Laarmans als de bedeesde kantoorklerk.
Na Villa Des Roses publiceerde hij nog Een ontgoocheling, maar daarna beschouwde Elsschot zijn schrijverscarrière als een passage. Hij was voorlopig klaar met schrijven en zocht zich verder een weg in het beroeps- en gezinsleven.
In de Eerste Wereldoorlog hield hij zich onledig als secretaris van het Provinciaal Oogstbureel.
In zijn vrije tijd schreef hij toen De Verlossing, een fictief verhaal, dat pas in 1921 in boekvorm uit kwam.
Vanaf 1919 werkte hij voor het Nationaal Comité voor Hulp en Voeding in Antwerpen, maar kort daarna stichtte hij zijn eigen reclamebureau, La Propagande Commerciale, dat hij tot zijn overlijden zou besturen (tot 1932 had hij compagnons). Zijn bureau was gevestigd op de Groenplaats. Hij haalde belangrijke opdrachten binnen, zoals de reclame voor de Olympische Spelen in Antwerpen in 1920, de Wereldtentoonstelling in 1930 en verscheidene gedenkboeken van winkeliersverenigingen en bedrijven. Bekend is nog de slagzin voor mosterdfabrikant Ferdinand Tierenteyn, hoewel die van veel later dateert: “Geen mostaard is zoo fijn als die van Ferdinand Tierenteyn”, de eerste zin uit één van de in totaal negen mosterdverzen die Elsschot schreef. Van 1942 tot 1960 wierf Elsschot de advertenties voor Snoecks Almanack.
© Erven De Ridder & Letterenhuis
Een herdruk van Lijmen en enkele gedichten brachten hem in contact met enkele Nederlandse grootheden zoals Menno ter Braak en Jan Greshoff. Die laatste overtuigt hem met iets nieuw te komen. Dat werd dan de korte maar meesterlijke roman Kaas. Elsschot heeft terug de pit te pakken, hij publiceert opnieuw Verzen van vroeger, Tsjip, een herdruk van De Ontgoocheling en enkele openbare brieven, waaronder één aan Van der Lubbe, iets wat zijn imago, zacht uitgedrukt, geen goed heeft gedaan.
Maar zijn literair meest vruchtbare periode dekt veel toe. Hij publiceert een vervolg op Lijmen: Het Been. Zijn andere boeken vallen om de haverklap in de prijzen. Net voor de Tweede Wereldoorlog komt hij met De Leeuwentemmer.
Die oorlog doet hem vluchten naar Frankrijk, zodat hij zijn reclame inkomsten verliest en uiteindelijk ook zijn buitenverblijf aan de zee moet verkopen. Vanuit zijn vrijwillige ballingschap schrijft hij nog De Tanker. Voor de eerste keer in zijn leven zetelt hij in een jury, waarbij hij mede de prijs toekent aan de jonge Louis Paul Boon. Zijn werk krijgt nu internationale aandacht. Aan het eind van de oorlog schrijft hij Het Dwaallicht, dat in 1946 zou verschijnen. Het is zo goed als zijn literair testament, want op dat vlak komt hij alleen nog maar in het nieuws als redacteur van het Nieuw Vlaams Tijdschrift, als dichter van de beruchte ode aan Borms, als jurylid van een literaire prijs aan Hugo Claus. In 1951 is hij de eerste Vlaming die bekroond wordt voor zijn oeuvre met de Constantijn Huygensprijs. In 1957 gaat hij als 75-jarige uit eigen werk voorlezen in Nederland, daarbij ondersteund door Simon Carmiggelt, al jaren een vurig bewonderaar. Drie jaar later, op 31 mei 1960 sterft Alfons De Ridder. Zijn vrouw de dag erna.
Willem Elsschot was al eerder uit het leven gestapt.
Klare taal
Dromen die geen daden werden
Elsschot's werk en proza blijven eeuwige parels aan onze Vlaamse literatuur. Maar wat is nu de impact van de auteur achter het pseudoniem Elsschot? Van wat je hiervoor van hem kon lezen zal je immers niet plat achterover vallen. Toch heeft Willem Elsschot slechts 750 bladzijden proza geschreven. Waar zit dan de verborgen kracht?
© Erven De Ridder & Letterenhuis
Als jong mannetje wist Fons De Ridder wie Streuvels, Teirlinck en Buysse waren. Hij moet hen al dan niet van afstand hebben bewonderd. Toch zette hij zich af van hun naturalistisch proza vol weemoed en tierelantijntjes, vol heimat en landelijkheid.
Wie er vandaag Streuvels of Ernest Claes op naleest moet zich inleven in goed beschreven maar vaak onbekende werelden, waar harten in boezems kloppen en piepgroene jeugdigheid uit den grond kipt. Bij Elsschot daarentegen ben je dadelijk mee. Voor alles is zijn taalgebruik een gekoesterd onderdeel van zijn stijl. Hij schreef de klare taal van het volk, zowel qua toon als qua inhoud, schreef over de stadsmens, een nieuw gegeven in de Vlaamse literatuur. Deze combinatie is de voornaamste reden dat zijn werk maar niet gedateerd raakt. Dat bijvoorbeeld Kaas uit 1937 nog steeds nieuwe lezers vindt, het werk van Elsschot telkens nieuwe bewonderaars aantrekt. Willem Ellschot staat op zichzelf, hij hoort nergens bij.
Kaas, Lijmen en Het Been zijn modernistische parabels, opgebouwd met uit het leven gegrepen personages en hun klunzige motieven. Deze in oorsprong simpele verhalen zijn opgepakt uit de tijdsgeest, getransponeerd door de tijd en door tal van generaties opgeklopt tot moraliteiten van haast mythische proporties waar het onvermijdelijke boontje om zijn loontje komt. Gefileerd tot op het bot blijven het literaire cartoons over het burgermannetje en zijn dromen. Dromen die maar geen daden worden.
Als ik me nu niet aanpas
word ik uitgestoten door mijn eigen bloed
Want zij zien in mijn dolen een verraad
en scharen zich zwijgend om hun moeder
En zij hebben gelijk
Als ooit het huis vuur vat
dan worden zij door haar gewekt
en niet door mij
Tsjip
Simon Carmiggelt, toch ook een man waarvoor ze in Nederland niet genoeg standbeelden kunnen oprichten, behoorde tot zijn meest fervente bewonderaars. Hij aarzelt niet Elsschot zijn “literaire vader” te noemen en een “superieure stylist”. Carmiggelt onderhield zoveel hij kon zijn band met zijn literaire vader en was vaak de verbindingsman tussen Elsschot en diens uitgever om lezingen in Nederland te organiseren.
© Erven De Ridder & Letterenhuis
Veel eerder, in 1948, had Carmiggelt zijn stoute schoenen aangetrokken en bij Elsschot in Antwerpen aangebeld, met de vraag of die zijn eerste boekje wilde beoordelen. Carmiggelt beschrijft de sfeer van toen als afstandelijk maar toch openhartig. Tegenover de onbekende bewonderaar uit Den Haag gaf Elsschot toe dat hij niet van zijn publiciteitswerk hield, dat Kaas daarvan een regelrechte aanklacht was. Carmiggelt ontving zijn boekje een paar weken later terug, aangevuld met milde maar uitvoerige commentaren. Elsschot had bovendien enkele woorden onderstreept die hij niet kende: koddebeier, hufter, tengels, ginnegappen, jennen,…
Via Carmiggelt krijgen we bevestigd dat Elsschot veel aan zijn teksten schaafde, tot er pure, eenvoudige schoonheid overbleef. Zo werd de oorspronkelijke aanhef van Een ontgoocheling, waarin sigarenfabrikant De Keizer wordt voorgesteld, gereduceerd tot één gebalde zin, de essentie voor wat volgt.
Maar misschien zit de kracht van Willem Elsschot ook wel in de platvloerse genen van Alfons De Ridder.
Want het staat er allemaal, je hebt het allemaal gelezen. Als bakkerszoon doorzag hij de “chi-chi-madammekes” van de Meir. Als rebelse tiener frotteerde hij alle grenzen van de plicht, als schrijver van cantussen wist hij hoe je een tekst populair kon maken, als schuinsmarcheerder voelde hij hoe hij er het best de kantjes kon aflopen, als reclamemaker kende hij de truken van de foor. Alfons De Ridder was gelouterd door het leven en gaf daar als Willem Elsschot commentaar op. Of beter: als Laarmans, het alter-alter ego, dat haast cyclische aureool uit zijn oeuvre.
Trek het maar na. Zowel in De Ontgoocheling, Kaas en Lijmen/Het Been gaat het over al dan niet gewiekst zaken doen versus de inhaligheid van de mens. In Tsjip en De Leeuwentemmer heeft Elsschot het over de bekrompenheid van zijn eigen familie. In Villa des Roses neemt hij zichzelf op de korrel als de jonge Duitser Grünewald zonder scrupules. Alfons De Ridder ging heus niet verder kijken dan wat rond hem bewoog. Hij was doordrongen van de alledaagse burgerlijkheid en behield zijn romantische zinsneden voor zijn poëzie.
Voor de zoveelste maal kom ik thuis van de reis en weer staat mijn stoel gereed, tafel en bed gedekt, pantoffels bij het vuur alsof ik iedere dag verwacht werd. Mijn kinderen hebben heel gewoon pa gezegd en mijn vrouw heeft gevraagd wat ik verkoos: lever of haring. Ik heb niet geantwoord omdat ik de moed niet had mijn eigen stem te aanhoren. Ik heb de hand uitgestoken naar wat het dichtste bij stond en zwijgend mijn maag gevuld. Hun gerustheid, hun zekerheid dat ik ook ditmaal terugkeren zou, heeft mij beschaamd en diep gegriefd.
Tsjip
Willem Elsschot baseerde zijn personages op volk dat hij kende. Het gedrag van Boorman had hij van zijn vriend Valenpint, die hem eerst vroeg als redacteur voor wervingsteksten, maar al vlug diens colporteurkwaliteiten waardeerde. De idee van de nep-entourage die het Wereldtijdschrift groter moest doen lijken dan in werkelijkheid, haalde hij van zijn Argentijnse werkgever in Parijs, die ook van vele walletjes tegelijk at. Mevrouw Laureyssens bestond werkelijk. Het was een kloosteroverste die zich door Elsschot in de doeken liet doen.
© Erven De Ridder & Letterenhuis
Dat niet iedereen van de eerste keer mee was, bewijzen de twee anekdoten van de zoon en kleinzoon van Elsschot. De eerste pende 13 bladzijden over uit Villa des Roses en gaf het af als zijn vrij opstel. Hij kreeg er ruim 5 op 10 voor. Jaren later schreef Elsschot zelf tot twee keer toe een opstel voor zijn kleinzoon. Het opstel “de winter”: kreeg 1 op 10 en de bemerking: “taal hopeloos verouderd”.
Toevallig kwam Carmiggelt nog bij Elsschot langs, twee dagen voor diens dood. Hij kwam niet verder dan de deur, want Elsschot was net terug van het hospitaal. Hij stond er verdwaasd bij en wilde gaan rusten, herkende Carmiggelt niet eens. De dag erna realiseerde hij zich zijn fout en schreef een brief, wat zowat het laatste wapenfeit van Alfons De Ridder moet geweest zijn.
Carmiggelt herinnert zich ook dit:
“Ik heb, wat dat betreft, een sterke herinnering bewaard aan de avond in Rotterdam toen hij, na de pauze had voorgelezen en het publiek in de volle zaal van de Bijenkorf hem een minutenlange ovatie bracht.
Nog zie ik hem op dat toneel staan. Hij boog niet voor het applaus, maar liet het als een storm op zich afkomen. En toen het maar áánhield, gleed er een wat verbaasd, maar toch verheugd lachje over zijn sceptisch gezicht, dat hem verjongde. Zoals hij daar een beetje weerbarstig, wijdbeens op die geestdriftige schare stond neer te kijken, leek hij plotseling op een foto uit zijn studententijd waar hij, met een vreemde pet op en een pint in de hand, naast een woeste makker tegen een hekje leunt.
“Zo'n avond heeft mijn stad Antwerpen mij nooit gegeven,” zei hij na afloop, bitter en voldaan tegelijk.”
Daar wordt dus nu, in 2010, een ferme mouw aan gepast.
Dichter bij Elsshot
Info en tickets in voorverkoop voor alle activiteiten:
© Erven De Ridder & Letterenhuis
29-30 mei 2010
Openingsfestival
'Tussen droom en daad'
Muzikanten, politici en andere liefhebbers geven de aftrap van het festival en brengen een toepasselijke ode aan Elsschot. Het openingsfestival werd vernoemd naar een passage uit het bekendste gedicht van Willem Elsschot: Tussen droom en daad staan wetten in de weg, en praktische bezwaren.
Gouden uitvaart
Op zaterdag 29 mei vindt in de salle des pas perdus van het nieuwe Justitiepaleis Willem Elsschots gouden uitvaart plaats. Burgemeester Patrick Janssens doet de Antwerpse bakkerszoon, echtgenoot, vader, grootvader, reclamemaker en schrijver uitgeleide met een geactualiseerde versie van de grafrede van zijn voorganger Lode Craeybeckx. Acteur Frank Aendenboom treedt hem bij met het requiem van Herman Teirlinck over “de ridder die zich, als aan molenwieken, kwetst aan eigen dromen”.
Bij monde van Yves Petry en François Beukelaers treedt Elsschot in het hiernamaals in discussie met de Ultieme Recensent, in de figuur van Volkskrant-journalist Arjan Peters.
De plechtigheid wordt opgeluisterd door Arsis 4, het strijkkwartet van Elsschots achterkleinkind Romek Maniewski.
Receptie
Tijdens de afsluitende receptie wordt in het Vlinderpaleis geklonken op een leven dat sprankelt na de dood. De uitvaart en de viering van het leven worden in goede banen geleid door Lisbeth Imbo.
Poetracks en Bal Littéraire
Daarna wordt het festival verder gezet in Petrol Club. Daar dragen bekende muzikanten zoals Luc De Vos, The Bony King of Nowhere, La Femme Belge, Dez Mona, Mintzkov en De Anale Fase enkele gedichten van Willem Elsschot voor.
© Erven De Ridder & Letterenhuis
Brunch
Acteur en televisiekok Gène Bervoets nodigt zondag om 11.00u Antwerpse topchefs uit voor een hedendaagse interpretatie van het menu dat Willem Elsschot op 11 mei 1952 kreeg voorgeschoteld ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag. Naast Gène Bervoets serveren Warre Borgmans, Joke Devynck en Karlijn Sileghem ondertussen smaakmakende fragmenten uit het werk van de bakkerszoon met een snorretje.
Tussen droom en daad
Kees van Kooten, Tom Lanoye en Annelies Verbeke brengen de staande uitdrukking Tussen droom en daad tot leven in eloquente en speciaal voor de gelegenheid geschreven exposés. Voor The Bony King of Nowhere (Bram Vanparys) leiden deze gevleugelde woorden uit Elsschots gedicht Het huwelijk naar een nummer over moord en brand, weemoedigheid en praktische bezwaren.
- € 6 vvk, € 10 dagverkoop (Beperkt aantal plaatsen beschikbaar in het nieuwe justitiepaleis!)
- Nieuw justitiepaleis (Bolivarplaats 20 in Antwerpen)
- Petrol Club (D'Herbouvillekaai 25 in Antwerpen)
- Brunch: Nieuw justitiepaleis ; 40 € vvk.
© Erven De Ridder & Letterenhuis
30 mei
Dicht bij Elsschot
Een spraakmakende tentoonstelling geeft u een nieuwe kijk op het leven en werk van Elsschot: schrijver, zakenman, bohémien en Antwerpenaar.
Rond Willem Elsschot circuleren een aantal mythes die hem uitzonderlijkheid mooi in de verf zetten, maar niet altijd stroken met de realiteit. Schreef hij 'Kaas' echt in twee weken tijd? Was hij echt een schrijver die steeds maar schrapte, tot de naakte essentie overbleef? De tentoonstelling 'Dicht bij Elsschot' toont de harde feiten van de sterke verhalen.
De handschriften plus verbeterde drukproeven tonen u hoe Elsschot een tekst verbeterde en bijstuurde. Dat deed hij op zijn typemachine, een statige L.C. Smith & Corona, met Franstalige toetsen.
Je ziet beelden van Elsschot en zijn familie uit de periode 1939 - 1960, in hun vakantieoord in Sint-Idesbald. Geen foto's maar filmpjes, toch vrij uitzonderlijk voor die tijd. Je hoort ook zijn stem in een van zijn laatste interviews. Je ziet dat hij zichzelf op zijn identiteitskaart “letterkundige” laat noemen.
Voor deze tentoonstelling wordt geput uit het Elsschot archief dat de Vlaamse Gemeenschap en de stad Antwerpen in 2009 verwierven. Hierdoor kunt u ook kennismaken met Willem Elsschot als zakenman. Al zal de literatuurliefhebber waarschijnlijk meer voelen voor de literaire handschriften van 'Lijmen', 'Pensioen', 'Het tankschip' en 'Het dwaallicht'. De handschriften plus verbeterde drukproeven tonen u hoe Elsschot een tekst herwerkte en bijstuurde.
Behalve het verhaal van zijn leven en zijn taal zal de tentoonstelling ook een tijdsbeeld schetsen, zodat de romans meer reliëf krijgen. Beelden van de Antwerpse haven, zoals die er uit zag in de tijd van Het dwaallicht, bijvoorbeeld. Info over de politieke situatie van na de oorlog. Reclamemateriaal van de bedrijven waar Elsschot voor werkte. 'Dicht bij Elsschot' zoekt de verbanden tussen de tijd, de man en de schrijver.
- Expo in het Letterenhuis: vanaf 30 mei 2010 tot 31 december.
- van 10 tot 17 uur, gesloten op maandag en op 1 november, 25 en 26 december 2010
- € 5 / € 3 / € 1 / gratis
20 juni, 26 september, 21 november
Lezingenreeks 'Zeer Elsschot'
Drie lezingen voor kenners en liefhebbers die de figuur Elsschot beter willen kennen, telkens gevolgd door een muzikaal of literair optreden.
In Elsschot zeer politiek (20 juni) draait alles rond de onderbelichte politieke dimensie van Elsschot. De personages in Elsschots oeuvre worden vaak beschreven als universele typen. Toch kunnen we de politieke context waarin zijn werk ontstond niet wegstrepen. Vergeten we niet zijn geëngageerde voorwoord bij Louis Paul Boons Mijn kleine oorlog? Zijn gedichten over Marinus van der Lubbe en August Borms?
- Met Matthijs de Ridder, Willem Bongers en Jeroen Olyslaegers.
Elsschot zeer esthetisch (26 september) buigt zich over de stijl, de bewerkingen en de navolgers.
- Met: Koen Rymenants; Wieneke 't Hoen; Dick Matena; Luc De Vos.
Elsschot zeer kritisch (21 november) werpt na alle eerbetoon aan de schrijver een kritische blik op zijn werk. Verdient deze schrijver écht zijn status van gecanoniseerd auteur? Klopt het wel, dat cliché dat elk woord bij Elsschot op z'n plaats staat? Zijn er geen passages die spontaan geeuwen rechtvaardigen?
- Met Kris Humbeeck, Eric Rinckhout en Marc Kregting.
Alle lezingen:
- € 6 vvk, € 10 avondkassa
- Locatie: Letterenhuis
© Erven De Ridder & Letterenhuis
juli: op zondag
van 1 oktober tot 31 december
De Dwaallichtwandeling
De novelle 'Het Dwaallicht' van Willem Elsschot vertelt het verhaal van Laarmans en drie Afghaanse matrozen die hij toevallig ontmoet. Samen met hen dwaalt hij door de stad op zoek naar Maria van Dam, een jonge zakkennaaister die de matrozen 's morgens in de haven hebben leren kennen.
Ontdek tijdens deze bijzondere Dwaallichtwandeling de tijdsgeest, de personages en de plekken in het meesterwerk van Elsschot.
Langs het traject van de wandeling werden 8 citaten uit 'Het Dwaallicht' door professionele letterkappers aangebracht in het straatbeeld.
- Individuele bezoekers kunnen in juli en augustus 2010 iedere zondag aansluiten bij een zomerse Dwaallichtwandeling op 4, 11, 18, 25 juli en op 1, 8, 15, 22 en 29 augustus, telkens om 15 u.
- Maximum 20 personen/wandeling
- € 6 vvk en € 8 dagverkoop
- Vertrek aan het Letterenhuis
van 2 tot 28 juli
Dwaallicht
Een muziektheatervoorstelling waarin Warre Borgmans Laarmans speelt.
© Erven De Ridder & Letterenhuis
5 juli
Elsschot aan zee
Willem Elsschot vond in Koksijde een tweede thuis. Hij bouwde in de duinen van Sint-Idesbald zijn villa Kerkepanne. Deze wandeltocht dwaalt langs het oude Sint-Idesbald en is een uitstekende manier om kennis te maken met het verleden en het erfgoed van de gemeente Koksijde.
Willem Elsschot aan zee is een creatie van De Morgen-journalist Eric Rinckhout. Hij baseerde zich op verhalen van familie en kennissen en op het werk zelf.
- Wandeling met gids op 5 juli om 15u
- Locatie: Toerismekantoor Sint-Idesbald (Zeedijk 26A in Sint-Idesbald)
- € 1 voor individuele bezoekers (reserveren niet nodig)
- Groepen kiezen een datum naar keuze en betalen € 30 (maximum 30 personen per gids).
- Info en reservatie: +32 (0)58 53 34 40; cultuur@koksijde.be.
13 augustus
Jolly Joker Club
Willem Elsschot was niet enkel de brave burgerman. In Het Dwaallicht schreef hij over het huis van lichte zeden Jolly Joker in de Zakstraat. Maar in de Zakstraat is er nooit zo'n club geweest. Dus moest de Jolly Joker worden uitgevonden. Villanella en 5 voor 12 slaan de handen in elkaar, en zorgen zes vrijdagen voor een literair programma en een avondje clubben.
- Ieder vrijdag van augustus en de eerste helft van september.
- Locatie: Silowet (Hardenvoort 1-3 in Antwerpen)
- € 6 vvk, €10 avondkassa
© Erven De Ridder & Letterenhuis
van 3 september tot 31 oktober 2010
Elsschot in vertaling
Elsschots werk werd vertaald naar dertien talen. De tentoonstelling “Elsschot in vertaling” toont een selectie. Maar wat zegt de kaft over een boek? Natuurlijk staan er grote bollen kaas op de meeste Kaas-vertaling-covers, maar de Deense vertaling toont een man die aan het schuiven is met de letters van het woord Gafpa. Interessant, want één reden waarom de kaas uit de titel niet verkocht geraakt, is omdat 'zakenman' Laarmans te veel bezig is met uiterlijkheden, zoals het juiste briefpapier en de juiste naam voor zijn onderneming.
Ook de covers van Het Dwaallicht verschillen erg. Maar wat past de roman het beste? Een donkere omslag met een gezichtsloze matroos voor of toch maar een naakte borst van Maria Van Dam, geschilderd door Frits van den Berghe? De Tsjechische vertaling toont op de band dan weer een strookje papier waarop het zogenaamde adres van Maria Van Dam, Kloosterstraat 15, is gekrabbeld.
- Van 3 september tot 31 oktober 2010-05-20.
- Locatie: Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, Antwerpen
- gratis
© Erven De Ridder & Letterenhuis
8, 15, 22 en 29 september
Elsschot verfilmd
Het Dwaallicht is de eerste bioscoopfilm op basis van Elsschots werk, uit 1973. (Eerder waren er tv-films gemaakt van Lijmen en Kaas en een tv-serie van Villa des Roses.) Regisseur Frans Buyens koos de bekende Gentse acteur Romain Deconinck, een boegbeeld van het Vlaamse volkstheater, als Laarmans.
- met Eric Rinckhout en Warre Borgmans
In Kaas droomt de simpele kantoorbediende Laarmans ervan om te stijgen op de maatschappelijke ladder. Als hij de kans krijgt kaasimporteur te worden, grijpt hij deze met beide handen. Maar Laarmans is meer bezig met de inrichting van zijn bureau dan met het verkopen zelf. De ladder glijdt onder hem weg ...
- met Orlow Seunke en Josse De Pauw
In Lijmen/Het been ontmoet Boorman, een geniaal oplichter, voor het eerst een klant die hij niet moeiteloos onder tafel praat: de gehandicapte mevrouw Lauwereyssen. Het draait uit op een absurde rechtzaak.
- met Mike Verdrengh en Robbe De Hert
© Erven De Ridder & Letterenhuis
Villa des Roses is een tragikomedie die zich afspeelt in een Parijs' pension. Humoristische verwikkelingen tussen een grote cast, die elkaar zodanig de duvel aandoen, dat het lachen je uiteindelijk vergaat. Villa des Roses werd in 2002 verfilmd door Frank Van Passel. In tegenstelling tot de andere films is Villa des Roses Engelstalig – al zit er veel steenkolenengels in en is de cast internationaal, met o.m Julie Delpy, Jan Decleir, Shaun Dingwall en de Nieuwe Snaar.
- met Frank Van Passel en Jan Decleir.
Algemeen:
- Locatie: Openbare bibliotheek Permeke
- € 3 vvk, € 6 dagkassa
12 september, 3 en 31 oktober
Lezingenreeks “De laatste getuigen”
Journaliste Martine Cuyt publiceerde in 2004 haar Elsschot biografie: Man van woorden. Zij belichtte onbekende facetten van Elsschot, waarvoor ze jarenlang mensen had opgezocht die Elsschot nog hebben gekend. Gastheer Pat Donnez baseert zich op dit boek om gesprekken te voeren met de erven Elsschot, collega-schrijvers en 'goede buren'.
- Locatie: erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience
- 12 september: erfgenaam van Elsschot
- 3 oktober: mannen van woorden
- 31 oktober: goede buren
- € 3 vvk, €6 aan de kassa
- aanvang: 11 u (tot 12u30)
© Erven De Ridder & Letterenhuis
31 oktober
Het oor van Elsschot
Het feestjaar rond Elsschot wordt in stijl afgesloten met een concert. Dit slotconcert belicht een ander aspect van de schrijver: Willem Elsschot als muziekliefhebber. Daarom grasduinde AMUZ (Augustinus Muziekcentrum) in zijn favoriete repertoire. Het resultaat is een mozaïek van meesterlijke barokwerken: Johann Sebastian Bach,
Arcangelo Corelli, Luigi Boccherini, Alessandro en Domenico Scarlatti, Antonio Vivaldi, Georg Friedrich Händel.
- Locatie: AMUZ, Kammenstraat 81, 2000 Antwerpen
- Info en tickets op www.amuz.be of bel +32 3 229 18 80.
- Tickets: € 16 / € 13 / € 11